Wat is de narratieve benadering in systeemtherapie

Wat is de narratieve benadering in systeemtherapie

Wat is de narratieve benadering in systeemtherapie?



In de wereld van de systeemtherapie bestaat een rijke verscheidenheid aan perspectieven, maar de narratieve benadering onderscheidt zich door haar fundamentele focus op verhalen. Deze stroming ziet het leven niet als een loutere opeenvolging van feiten, maar als een actief en voortdurend proces van betekenisgeving. Onze identiteit, relaties en problemen worden volgens deze visie gevormd en in stand gehouden door de verhalen die we over onszelf en anderen vertellen – en vooral door de verhalen die wij als waar zijn gaan beschouwen.



De narratieve therapie, sterk beïnvloed door het werk van Michael White en David Epston, vertrekt vanuit het idee dat mensen niet zijn hun probleem. In plaats daarvan wordt het probleem geëxternaliseerd: het wordt gezien als een aparte entiteit die van buitenaf invloed uitoefent op het individu of het gezin. Deze cruciale verschuiving creëert ruimte. Het stelt cliënten in staat om hun relatie tot het probleem te onderzoeken, zonder zich er volledig door gedefinieerd te voelen. Men gaat van "ik ben depressief" naar "de depressie probeert grip op mij te krijgen", wat een gevoel van agency en mogelijkheid tot verzet opent.



Binnen een systeemtherapeutische context richt deze benadering zich op de gedeelde narratieven die binnen een gezin of relatie zijn ontstaan. Deze verhalen, vaak ontstaan rondom crises of herhaalde patronen, kunnen verstard en problematisch zijn geworden. De therapeut helpt om deze dominante, vaak beperkende verhalen te deconstrueren. Door nieuwsgierige vragen en een niet-wetende houding worden alternatieve plotlijnen, uitzonderingen op het probleem en vergeten vaardigheden opgespoord. Dit zijn de unieke uitkomsten die de basis vormen voor een alternatief, krachtiger verhaal.



Uiteindelijk streeft de narratieve benadering in systeemtherapie ernaar om ruimte te maken voor voorkeursverhalen. Dit zijn de verhalen die beter aansluiten bij iemands waarden, intenties en dromen. Door deze alternatieve verhalen te documenteren, te versterken en te vieren – bijvoorbeeld via brieven of rituelen – worden ze steviger verankerd in de identiteit van het systeem. Het gezin of het individu herschrijft zo, in samenwerking met de therapeut, zijn eigen geschiedenis en toekomst, niet langer als passieve slachtoffers van een probleemverhaal, maar als actieve auteurs van een gekozen narratief.



Hoe help je cliënten het 'dominante verhaal' over hun probleem te herkennen en uit te dagen?



Hoe help je cliënten het 'dominante verhaal' over hun probleem te herkennen en uit te dagen?



De eerste stap is het gezamenlijk in kaart brengen van het dominante verhaal. De therapeut vraagt door naar de problematische ervaringen, overtuigingen en de impact daarvan. Belangrijke vragen zijn: "Wanneer begon dit verhaal?", "Wie of wat versterkt dit verhaal?" en "Welke invloed heeft dit verhaal op uw keuzes en relaties?". Dit proces externaliseert het probleem: het probleem is het probleem, de persoon is niet het probleem.



Vervolgens richt de therapie zich op het opsporen van uitzonderingen. Dit zijn momenten die niet in het dominante verhaal passen. Vragen zoals "Wanneer was het probleem er even niet of minder aanwezig?" of "Kunt u een moment herinneren waarop u weerstand bood aan de invloed van dit verhaal?" brengen 'unieke uitkomsten' aan het licht. Deze ervaringen vormen de bouwstenen voor een alternatief, ondergesneeuwd verhaal.



Het uitdagen van het dominante verhaal gebeurt via deconstructieve vragen. Deze vragen nodigen uit tot reflectie en relativering. Voorbeelden zijn: "Hoe zou iemand die u zeer waardeert naar deze situatie kijken?" of "Als dit verhaal de volledige waarheid was, hoe verklaart u dan die keer dat het anders ging?". Het doel is om de vanzelfsprekendheid van het dominante verhaal te ondermijnen en ruimte te creëren voor nieuwe betekenissen.



Ten slotte wordt het alternatieve verhaal verrijkt en verankerd. Door uitgebreid stil te staan bij de unieke uitkomsten en de kwaliteiten die de cliënt daarbij toonde, wordt dit nieuwe verhaal dikker gemaakt. Het gebruik van getuigenissen, zoals het betrekken van belangrijke anderen in een sessie of het schrijven van een brief aan zichzelf, kan dit verhaal verder bekrachtigen en de cliënt helpen zich ermee te identificeren.



Welke vragen en technieken gebruiken therapeuten om 'uitzonderingen' op het probleemverhaal te vinden?



De zoektocht naar uitzonderingen – momenten waarop het probleem minder aanwezig was of anders werd aangepakt – is een kernactiviteit. Therapeuten gebruiken hiervoor specifieke, vaak schaal- en toekomstgerichte vragen, en technieken die de aandacht van het probleem naar de oplossing verleggen.



Een fundamentele techniek is het stellen van uitzonderingsvragen. Deze vragen zijn gericht op het ontdekken van momenten die afwijken van het dominante probleemverhaal. Voorbeelden zijn: "Wanneer was het probleem de afgelopen week een beetje minder erg?" of "Kunt u een moment herinneren waarop u verwachtte dat een conflict zou escaleren, maar dat toch niet gebeurde? Wat was er anders?"



Schaalvragen helpen om uitzonderingen concreet en zichtbaar te maken. Een therapeut kan vragen: "Op een schaal van 0 tot 10, waar 0 het dieptepunt is en 10 de situatie waarin het probleem is opgelost, waar staat u nu?". Vervolgens volgt de cruciale vraag: "Wat maakt dat u op een 4 staat en niet op een 2?" of "Wat zou een kleine stap richting een 5 zijn?". Deze vragen leggen de focus op reeds aanwezige hulpbronnen en successen.



De wondervraag is een krachtige, toekomstgerichte techniek om uitzonderingen in de verbeelding te creëren. "Stel dat er vanavond, terwijl u slaapt, een wonder gebeurt en dit probleem is opgelost. Hoe zou u morgenochtend, zonder het nog te weten, het eerste teken merken dat het wonder heeft plaatsgevonden?" Dit nodigt cliënten uit om gedetailleerd te beschrijven hoe een probleemloze toekomst eruitziet, wat vaak elementen van reeds bestaande uitzonderingen bevat.



Therapeuten gebruiken ook externaliserende gesprekken. Door het probleem te externaliseren – bijvoorbeeld door het 'De Zorg' of 'De Ruzie' te noemen – wordt het losgekoppeld van de identiteit van de persoon. Vragen worden dan: "Wanneer had 'De Zorg' minder grip op jullie gezin?" of "Wat deden jullie op die momenten dat jullie 'De Ruzie' even te slim af waren?". Dit maakt het makkelijker om successen te identificeren.



Ten slotte is het uitwerken en versterken van gevonden uitzonderingen essentieel. De therapeut vraagt gedetailleerd naar wie er betrokken was, wat er precies gebeurde, welke kwaliteiten en vaardigheden werden ingezet, en hoe dit verschilde van de gebruikelijke probleempatronen. Dit vergroot het besef van eigen bekwaamheid en legt een basis voor het uitbouwen van deze succesvolle aanpakken naar de toekomst.



Veelgestelde vragen:







Hoe ziet een concrete techniek uit deze therapie eruit in de praktijk?



Een veelgebruikte techniek is 'externaliseren'. Stel, een gezin komt met de klacht dat een kind vaak driftbuien heeft. Een traditionele benadering zou kunnen kijken naar wat de driftbuien in stand houdt binnen de gezinsdynamiek. In de narratieve benadering zou de therapeut het probleem kunnen externaliseren door het een naam te geven, bijvoorbeeld 'De Woede'. Vervolgens stelt hij vragen als: "Wanneer probeert De Woede jullie gezin het meest te beïnvloeden?" of "Wie van jullie weet De Woede soms een beetje buiten de deur te houden?". Dit verandert het gesprek. Het probleem ligt niet langer in het kind als een defect, maar wordt een externe invloed waar het gezin samen tegen kan staan. Het kind is niet het probleem; het heeft een probleem met 'De Woede'. Dit creëert ruimte voor samenwerking en vermindert schuld en beschuldiging. Het gezin begint zijn eigen relatie tot het probleemverhaal te beschrijven en kan zo alternatieve verhalen vinden over hun veerkracht.

Vergelijkbare artikelen

Recente artikelen