Welke soorten stigma zijn er

Welke soorten stigma zijn er

Welke soorten stigma zijn er?



Het begrip stigma verwijst naar een krachtig sociaal merkteken dat een individu of groep negatief onderscheidt en reduceert tot een ongewenst stereotype. Het is een proces van diepgaande diskwalificatie dat de volwaardige acceptatie in de maatschappij belemmert. Om de complexe werking van stigma te doorgronden, is het essentieel om de verschillende vormen te herkennen waarin het zich manifesteert.



Een fundamenteel onderscheid kan worden gemaakt tussen publiek stigma en zelfstigma. Publiek stigma omvat de negatieve overtuigingen, attitudes en gedragingen die de bredere samenleving koestert en uit naar een gestigmatiseerde groep. Dit uit zich in vooroordelen, discriminatie en uitsluiting. Zelfstigma, ook wel geïnternaliseerd stigma genoemd, treedt op wanneer individuen deze negatieve maatschappelijke opvattingen overnemen en op zichzelf gaan toepassen, wat leidt tot gevoelens van schaamte, een laag zelfbeeld en het vermijden van hulpzoekend gedrag.



Naast deze brede categorieën kan stigma verder worden onderverdeeld naar de aard van het kenmerk dat de stigmatisering veroorzaakt. Fysiek stigma is verbonden aan zichtbare lichamelijke eigenschappen, zoals een beperking, huidafwijkingen of het gevolg van een ziekte. Gedragsmatig stigma is gekoppeld aan handelingen of aandoeningen die als moreel verwerpelijk of gevaarlijk worden gezien, zoals psychische ziekten, verslavingen of een crimineel verleden. Ten slotte bestaat er stigma van associatie, waarbij mensen worden gestigmatiseerd louter vanwege hun relatie of nabijheid tot een gestigmatiseerd persoon, zoals familieleden of hulpverleners.



Hoe herken je publiek stigma in het dagelijks leven?



Publiek stigma uit zich in observeerbare gedragingen, taal en sociale patronen. Het is de externe manifestatie van vooroordelen en discriminatie. Een eerste duidelijk signaal is het gebruik van generaliserende en negatieve labels. Denk aan termen zoals ‘een schizofreen’, ‘een autist’ of ‘een verslaafde’. Deze taal reduceert een persoon tot zijn of haar aandoening en ontkent de individuele identiteit.



Een ander herkenbaar kenmerk is sociale uitsluiting. Dit kan actief zijn, zoals iemand niet uitnodigen voor een feestje vanwege een psychische geschiedenis. Het kan ook subtieler: afstand houden, vermijden van oogcontact, of ongemakkelijk worden wanneer het onderwerp ter sprake komt. De persoon wordt behandeld als ‘anders’ en niet volledig deel van de groep.



Publiek stigma is ook zichtbaar in de media en populaire cultuur. Karikaturale voorstellingen van mensen met een psychische aandoening als gevaarlijk, onvoorspelbaar of komisch zwak versterken stereotiepe beelden. Dit beïnvloedt de publieke perceptie onbewust.



In dagelijkse gesprekken merk je stigma vaak in de vorm van ongevraagd advies of minimalisering. Opmerkingen zoals “Trek je er gewoon overheen” of “Iedereen heeft wel eens een dipje” bagatelliseren ernstige aandoeningen. Het impliceert dat het een keuze of een gebrek aan wilskracht is, niet een erkende gezondheidstoestand.



Ten slotte manifesteert publiek stigma zich in institutionele barrières en aannames. Bijvoorbeeld een werkgever die zonder reden aanneemt dat iemand met een depressie niet betrouwbaar is, of een verzekeringsmaatschappij die standaard hogere premies vraagt. Deze uitingen zijn minder persoonlijk maar even reëel en schadelijk.



Wat is het verschil tussen zelfstigma en stigma door anderen?



Wat is het verschil tussen zelfstigma en stigma door anderen?



Het kernverschil ligt in de bron en richting van het stigma. Zelfstigma is intern en naar binnen gericht, terwijl stigma door anderen extern en naar buiten gericht is.



Zelfstigma (ook intern stigma genoemd) ontstaat wanneer een persoon de negatieve stereotypen, vooroordelen en stigma's die in de samenleving bestaan over zijn of haar eigenschap of aandoening, gaat geloven en op zichzelf toepast. Dit proces verloopt vaak in drie stappen: stereotypering (bijvoorbeeld "Mensen met een psychische aandoening zijn gevaarlijk"), overtuiging ("Dus ik ben gevaarlijk") en toepassing ("Daarom ben ik minder waard"). Dit leidt tot schaamte, een laag zelfbeeld en zelfachting, en het vermijden van hulp of sociale situaties.



Stigma door anderen (of publiek stigma) is de reactie van de bredere samenleving. Het omvat negatieve overtuigingen (vooroordelen), negatieve gevoelens (bijvoorbeeld angst of afkeer) en discriminerend gedrag tegenover een persoon of groep. Dit uit zich in uitsluiting, pesten, ongelijke behandeling op werk of bij het zoeken naar huisvesting, en negatieve taal in media of dagelijkse gesprekken.



Beide vormen versterken elkaar vaak. Aanhoudend stigma door anderen kan internaliseren en tot zelfstigma leiden. Omgekeerd kan zelfstigma, door terugtrekgedrag en lage eigenwaarde, bij anderen de misvatting bevestigen dat de persoon 'anders' of 'minder' is, wat het publieke stigma in stand houdt.



Veelgestelde vragen:



Ik hoor vaak over 'stigma' in de gezondheidszorg, vooral rond psychische problemen. Maar zijn er ook andere soorten stigma in de samenleving?



Zeker. Stigma uit zich op verschillende manieren en richt zich niet alleen op gezondheid. Naast het stigma rond psychische aandoeningen of hiv, dat we vaak tegenkomen, bestaan er andere belangrijke vormen. Een veelvoorkomend type is sociaal stigma, bijvoorbeeld gericht op iemands sociale status, armoede of werkloosheid. Mensen kunnen ook te maken krijgen met cultureel of etnisch stigma vanwege hun afkomst, religie of culturele gewoonten. Een ander voorbeeld is stigma naar aanleiding van fysieke kenmerken of een handicap. Deze verschillende vormen hebben dezelfde kern: ze zijn gebaseerd op een negatieve stereotypering die leidt tot uitsluiting, vooroordelen en discriminatie. De impact is vergelijkbaar, of het nu gaat om iemand met een depressie, iemand die financiële steun ontvangt of iemand met een zichtbare handicap.



Wat is het verschil tussen het stigma dat ik zelf kan voelen en het stigma dat door anderen wordt opgelegd? Het voelt alsof die twee vaak door elkaar lopen.



Dat is een scherp onderscheid. Deze twee vormen worden vaak apart benoemd omdat ze een andere bron en dynamiek hebben. Het stigma dat door anderen wordt opgelegd, noemen we 'geïnternaliseerd stigma' of 'zelfstigma'. Dit ontstaat wanneer iemand de negatieve maatschappelijke opvattingen over zichzelf gaat geloven. Iemand kan bijvoorbeeld gaan denken dat hij door zijn depressie echt minder waard of zwak is. De andere kant is 'structureel' of 'maatschappelijk stigma'. Dit zit verankerd in wetten, beleid en de algemene cultuur. Denk aan een wet die bepaalde rechten beperkt voor een groep, of aan een bedrijfscultuur waar mensen met een verleden in de verslavingszorg nooit worden aangenomen. Deze twee vormen versterken elkaar vaak. Maatschappelijk stigma kan leiden tot zelfstigma, en zelfstigma maakt het voor mensen weer moeilijker om zich tegen onrechtvaardige structuren te verzetten.

Vergelijkbare artikelen

Recente artikelen